En waar is het theater?

Op zoek naar een breder publiek 

Hanka Otte

Een werkelijk divers publiek bereik je door bottom-up, samen met het publiek, een nieuwe cultuur te creëren. Dit vereist echter een andere waardering van kunst en cultuur en een nieuwe rolverdeling tussen kunstenaar, publiek en overheid. Hoe zou die eruit kunnen zien? Een voorbeeld.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Boekman 129: Cultuur en publiek. 

Bekijk en bestel het volledige nummer hier.

Noorderzon21-AnoukHulsebosch-pidgin-9_edited.jpg

Pidgin Groningen (2021), © Anouk Hulsebosch  

De zoektocht naar een breder publiek start veelal vanuit de gedachte dat iedereen kunst en cultuur mag beleven. Daarbij wordt echter over het hoofd gezien dat de manier waarop en welke kunst we beleven, ook een cultuur is. Hoe inclusief is de uitnodiging om deel te nemen aan ‘die ene’ cultuur? Kunst als representatie van de samenleving biedt reflectie op hoe we dat doen, dat samenleven. Dat kan bevestigend werken, maar ook uitdagend. In het laatste geval weet de kunstenaar met zijn werk, dat wat voor de cultuur die prevaleert onzichtbaar, onhoorbaar en ongekend is, zichtbaar, hoorbaar en kenbaar te maken. Dit kenmerkt Jacques Rancière als het politieke van kunst, omdat er een herverdeling van het zintuiglijk waarneembare plaatsvindt (Rancière 2015). In Nederland gebeurt dit veelal op neutraal terrein: in het museum, het theater, het concertgebouw, op een festival of virtueel binnen datgene wat als fictie wordt bestempeld. Het is een ruimte waarin alles gezegd en gedaan mag worden zonder dat het consequenties heeft voor de werkelijkheid daarbuiten: zonder dat het van civiele betekenis wordt. Dit laatste, de civiele waarde van kunst, is een blinde vlek in het Nederlandse cultuurbeleid (Lijster et al. 2018; Thije 2017).

 

Een blinde vlek die mede verklaart waarom tijdens de pandemie veel kunstenaars werkloos aan de kant stonden. Niet omdat ze omwille van corona geen publiek meer mochten ontvangen, maar omdat de overheid de rollen van de kunstenaar en het publiek te eenzijdig als respectievelijk entertainer en vrijetijdsconsument ziet. Dat onderhoudt een cultuur van kunst verstaan die moeilijk een breder publiek kan trekken. Het is zeer de vraag of pogingen om kunst en cultuur meer inclusief te maken zoals handreikingen voor een divers taalgebruik, pleidooien voor culturele democratie en een code diversiteit die van bovenaf worden opgelegd, ook werkelijk meer diversiteit opleveren. Een breder publiek bereik je niet door een cultuur van kunstbeleving op te leggen, maar door van onderop aan nieuwe culturen te bouwen. Kunst kan daar een belangrijke rol in spelen, maar dat vereist een andere positionering en daarmee een andere rolverdeling van de betrokken partijen, die van de overheid incluis. Een kunstproject dat een mogelijk nieuwe rolverdeling laat zien, is Pidgin Instituut X¹.

Pidgin X

Kariboe, deze is officiële atvertings week van de Pidgin Institoet, en deze is sekkoi moment. Wai binnen heel weeyar. Voor wie deze is nog niet clare de Pidgin Institut is een bahelawi institoet. Een eshtemai, novožezni institoet met als amaž en manzoer de verspraiden van Pidžin Gronings pidžin en bahel.

 

Welkom, dit is het officiële openingsweekend van het Pidgin Instituut, en dit is een zeer veelbelovend moment. We zijn allemaal zeer trots. Voor wie het nog niet duidelijk is, het Pidgin Instituut is een over-cultureel instituut. Een sociaal, modern centrum met als doel en ambitie het verspreiden van de Pidgin Groningse taal en cultuur.

Zo begon de lezing in en over de nieuwe taal Pidgin Gronings, die werd gelanceerd door het Pidgin Instituut Groningen op Noorderzon, Festival of Performance & Society. De lezing was een onderdeel van een programma waarin het publiek via een hoorcollege, twee workshops en een muzikaal optreden de nieuwe taal niet alleen kreeg aangereikt, maar er direct mee aan de slag mocht. Dit gebeurde onder begeleiding van de oprichters van het Pidgin Instituut Groningen, zoals ze consequent genoemd worden door de bedenker van het project, kunstenaar Ahilan Ratnamohan. De oprichters zijn inwoners van Groningen met moedertalen uit Turkije, Eritrea, Tadzjikistan, Engeland, Syrië, Nederland, Groningen, Mongolië, Brazilië, Spanje, Duitsland, China, Letland, Curaçao, Sri Lanka en Iran. Onder leiding van Ratnamohan creëerden zij het Pidgin Gronings, door woorden en uitdrukkingen die gemist worden uit de verschillende moedertalen (waaronder het lokale dialect) toe te voegen aan de Nederlandse taal en door woorden en uitdrukkingen van de Nederlandse taal te vervangen. Door nieuwe woorden te maken op basis van verschillende gemiste klanken en betekenissen, maar ook vanuit de beleving van (het aanleren van) het Nederlands. Het vocabulaire en de grammatica werden geheel bepaald door de oprichters en kunnen door eenieder die zich bij de beweging wil aansluiten, worden uitgebreid en gewijzigd.

 

Autonomie en heteronomie

Wat maakt dit project nu een kunstproject? Een van de meest besproken kwesties met betrekking tot de rol van kunst in de samenleving is de autonomie van de kunstenaar en het kunstwerk. Die autonomie is van belang voor de authenticiteit, de singulariteit of de uniciteit van het kunstwerk dat daarmee een specifieke werking genereert. Beïnvloeding van bijvoorbeeld de opdrachtgever of de distributeur die een eigen (commercieel of politiek) belang heeft, zou die eigenheid verstoren. Een interessante benadering is om niet zozeer uit te gaan van de autonomie van de kunstenaar of het werk, maar van de esthetische ervaring. Volgens Friedrich Schiller is deze autonoom, als de maker of beschouwer van het kunstwerk een opschorting ervaart van de voor hem gebruikelijke verhouding tot de wereld. Dát is een van de specifieke kenmerken van kunst: dat de eigen perceptie van de werkelijkheid wordt aangesproken, wordt uitgedaagd. De esthetische ervaring kent echter ook een heteronomie, zodra deze een vooruitzicht biedt op een ander leven (Lafuente 2007). Als het kunstwerk die connectie teweegbrengt, krijgt het een politieke betekenis zoals Rancière dit uitlegt. Dan kan het een nieuwe verdeling van het zintuiglijk waarneembare bewerkstelligen (Rancière 2015). Ik denk dat nu precies dit gebeurt in het project Pidgin X. Om te beginnen bij het ‘eerste’ publiek: de deelnemers aan het project die samen met de kunstenaar het Pidgin Instituut oprichtten.

20210625 ETN Pidgin_Denise Amber_43.jpg

Pidgin Leeuwarden (2021), © Denise Amber  

De kunstenaar als gids

De oprichters in Groningen werden geworven via NT2-scholen en andere culturele instituten, maar vooral ‘door te graven in de gemeenschap, om zo niet telkens bij dezelfde mensen uit te komen’, aldus Ratnamohan. Hij leidde de gesprekken tussen de oprichters, waarin werd uitgewisseld welke woorden uit de moedertaal gemist worden en waarmee ‘gesukkeld’ wordt in de Nederlandse taal. Welke grammaticale regels moeilijk zijn en welke woorden zelfs gehaat worden. In de voordracht werd verteld dat de deelnemers dit normaal niet hardop durven uit te spreken in de aanwezigheid van Nederlanders. En dat het niet gemakkelijk was elkaars vragen te beantwoorden, omdat bleek dat veel lievelingswoorden uit de moedertaal ver weg in het geheugen zaten. De groep maakte een lijst met de ‘klachten’ die het vaakst voorkwamen en bouwde daarna aan een lijst met nieuwe woorden en een nieuwe grammaticale basis. Het proces benadrukte dat niet de kunstenaar de nieuwe taal ontwikkelde, een verhaal of een gedicht schreef, maar dat de oprichters, de kunstenaar incluis, dit samen deden. Ratnamohan nam telkens de rol als gids op zich; hij bood mogelijke richtingen die het voorstellingsvermogen van de oprichters stimuleerden. Hij creëerde een ruimte waardoor deelnemers zich durfden uitdrukken en verbeelden. Waarin ze zich anders konden verhouden tot de taal, de ander, de wereld, dan zij doorgaans doen. Door de nieuwe taal ook werkelijk vorm te geven in grammaticale regels, in een woordenlijst, in een werkboek en audiovisueel lesmateriaal, wist Ratnamohan vervolgens de oprichters en later het (tweede) publiek te laten ervaren dat de nieuwe taal ook werkelijkheid zou kunnen worden.

Burgerzin

Als toeschouwer ervoer ik deze autonomie en heteronomie van de voorstelling, maar dan in omgekeerde volgorde. De nieuwe taal werd gepresenteerd als een werkelijk nieuwe taal die je kunt leren. We kregen les in de grammaticale regels, in nieuwe woorden en uitspraak. Maar tegelijkertijd beleefde ik de gehele presentatie als een andere werkelijkheid: de taal bestaat immers (nog) niet. Het is een verbeelding van hoe het zou klinken en voelen als we een taal zouden spreken waarin we ons allemaal herkennen, waarin we ons allemaal thuis voelen en meekrijgen waar de ander zich in thuis voelt. De verbeelding vereist een actieve rol van het publiek, die wordt gestimuleerd doordat de kunstenaar een nog onzichtbare of ongehoorde collectieve emotie weet te raken. In eerste instantie bij de oprichters die zich tijdens de gesprekken realiseerden dat

‘(…) zij als migranten die op latere leeftijd naar de stad waren gemigreerd, niet dezelfde positie, hetzelfde privilege en lef voelden als de jeugd die nieuwe straattalen ontwikkelt. Hoewel ze wel behoefte hadden aan zo’n taal, durfden ze die niet te creëren. (…) Bovendien konden zij zich niet organiseren om de stuwkracht te creëren waarbij zo’n straattaal tot stand kon komen’.²

Samen met stadsfestival Explore the North bood Ratnamohan deze burgers de mogelijkheid zich wél te organiseren. Het tweede publiek werd betrokken, door het werkelijk de taal zelf te laten voelen en het te laten spreken. ‘En waar is het theater?’, vroeg een toeschouwer na afloop aan Ratnamohan. Inderdaad: de verbeelding deed hier niet dienst zoals we op een kunstenfestival of in het theater doorgaans gewend zijn: ten behoeve van een tijdelijke persoonlijke esthetische ervaring, van persoonlijk ‘vermaak’. Hier hadden we met een andere manier van kunstbeleving te maken. Een die zeker tot hilarische (theatrale) momenten leidde, zoals het gezamenlijk hardop oefenen van het Pidgin Gronings. En die voor anderen emotioneel was, niet alleen omdat zij gevoelens van uitsluiting herkenden of konden ventileren, maar vooral omdat de kunstbeleving een mogelijkheid van inclusie bood. Een mogelijkheid die zomaar werkelijkheid kan worden, als het publiek een actieve houding aanneemt die het theatrale domein overstijgt. Je zou die houding burgerzin kunnen noemen.

 

Proeftuin

Maar ook de overheid speelt hierin een belangrijke rol. Die kan om te beginnen ruimte maken voor dit soort bottom-upexperimenten zoals het samenwerkingsverband We the North³ hier met zijn Proeftuin Meertaligheid deed. Of de nodige verbindingen leggen met andere (beleids-)domeinen. Ik zou daartoe We the North en andere overheden willen uitdagen om een nieuwe proeftuin aan te leggen. Een waarin de politieke civiele waarde van kunst tot wasdom kan komen door de verbeelding toe te laten in het publieke en politieke debat. Door dit soort projecten niet alleen te presenteren op een kunstenfestival, maar ook op publieke plekken buiten de culturele sector. Door politici en ambtenaren van andere beleidsterreinen uit te nodigen en door gesprekken met de makers en het ‘publiek’ aan te gaan. En door makers en culturele organisaties te faciliteren buiten de kaders van de culturele sector werk te maken en te tonen dat dit in directe relatie staat met die sociale context. Kortom: door cultuurbeleid breder te trekken dan de kunst en cultuur die wij gewend zijn te beleven, en de manier waarop we dat doen. •

 

Met dank aan Ahilan Ratnamohan

Hanka Otte is senior onderzoeker cultuurbeleid (Universiteit van Antwerpen) en docent Kunsten, Cultuur en Media (Rijksuniversiteit Groningen)

Literatuur

Lafuente, P. (2007) ‘Jacques Rancière en de romantische politiek’. In: Grensganger tussen disciplines: over Jacques Rancière, 11-32.

 

Lijster, T., H. Otte en P. Gielen (2018) Towards a policy of trust: the Dutch approach from the persective of a transnational civil domain’. In: Cultural policy in the polder: 25 years of the Dutch Cultural Policy Act, 133-150.

 

Rancière, J. (2015) Dissensus: on politics and aesthetics. Londen: Bloomsbury Academic. Thije, S. ten (2017) ‘The blind spot: art and politics in the Netherlands’. In: Being public, how art creates the public, 69-86.

Noten

  1. De X staat voor de geografische locatie waar de pidgintaal wordt gecreëerd en waardoor er verschillende pidgintalen ontstaan.

  2. Citaat uit de lezing van Ratnamohan tijdens de voorstelling op Noorderzon, Groningen, 17 augustus, 2021.

  3. Vierjarig cultuurprogramma op initiatief van de provincies Friesland, Groningen en Drenthe, en de gemeenten Groningen, Leeuwarden, Assen en Emmen, www.wethenorth.org.